Zo’n woud van akkerdistels: gegroeid uit de wortelstokken van vorig jaar. Als een speer met dit weer, mannetje aan mannetje, en dan massaal in bloei, elk bloemhoofdje met talloze buisbloempjes, waar zo’n wit ‘stokje’ ver uitsteekt: de stamper, om stuifmeel te vangen; dus zo’n 100 bloempjes per hoofdje?!
Dan rijpen de zaden massaal: hun kransen van pluis spreiden zich los tot vederlichte wolkjes, om met alle winden mee te waaien.
Elk pluishaartje weer geveerd met ragfijne haartjes, voor meer zweefkracht voor hun zaadje: naar verre verten … of toch gewoon dicht bij huis?
Al in januari/februari (soms al december) bloeiden de hazelaars: met heel veel lang uithangende stuifmeelkatjes, terwijl de vrouwtjes (stamper’bloemen’) hun vruchtbeginsel veilig in de knop hielden, en alleen hun rode stempels eruit staken, om stuifmeel uit de wind te vangen. Bij het uitlopen groeiden de verdroogde stempels mee naar buiten.
Hun vruchtbeginsels stonden nog lang in de pauzestand: eerst moeten alle bladeren goed uitlopen en aan het werk: groeien, zich verweren tegen bladluizen, rupsen ea, en daarna (juni) is er tijd en energie om hun zaden (hazelnoten) uit te groeien, onder hun beschermende blad.
En nu krijgen ze meer ‘body’, maar haast hoeven ze nog niet te hebben: pas in oktober moeten ze rijp zijn voor verspreiding door muizen, eekhoorns, vogels.
Hoe houden planten zich (letterlijk..) overeind in zoveel zonnewarmte? Behalve door houtige vaten in stengels en bladnerven zijn ze soepel en stevig door de waterdruk (turgor) die van hun cellen stevige waterballonnetjes maakt. Maar als de zon zoveel van je water verdampt verlept je blad tot slappe vodden ..
Voordeel van hangende bladeren: ze vangen minder zonnewarmte, wie zijn bladstelen snel kan buigen beschermt zijn bladeren dus een beetje! Als de hitte afneemt kunnen de wortels weer ‘turgor’water aanvoeren.
Springzaad spreidt zijn bladgroen zo wijd mogelijk uit in dunne, brede bladeren: om als schaduwplant toch genoeg licht te vangen. Dat die in de zon verleppen nemen ze voor lief: ze kunnen die daarna snel weer volledig sterk pompen!
Manieren om je water/stevigheid te beschermen: een dikke huid, zoals deze distel, die ook nog zonlicht weg-reflecteert, of compacte, ingesneden bladeren met een (heel) klein oppervlak voor zonlicht: met die lange dagen vangen die al gauw genoeg licht voor hun fotosynthese!
Bij kamille staan er nog wat smalle groene bladsprietjes aan de stengel, en slangenwortel heeft aan de bloeisteel alleen nog bladgroen in de bloemkelken. Ook cichorei doet het daar zonder bladeren, alleen onderaan nog een paar, in de koelte en schaduw van de eigen bloemstengels.
Van klaverzuring (ook een schaduwplant) lijken de blaadjes vóórgevouwen: om zonodig meteen in deze hittebestendiger stand neer te vouwen?
Als bijna laatste boom bloeien nu ook alle linden: niet met kleurige, licht reflecterende of blauw/paars lokkende bloemblaadjes, maar ze zetten vol in op een uitnodigende geur: “hier nectar, en stuifmeel!!”
Hommels en bijen reageren meteen en laten de bloemen zoemen! Ook de ‘voorraadtassen’ heeft ze gevuld, met 2 klompjes linde-stuifmeel, vastgehaakt achter de kammetjes aan haar achterpoten.
Als de bloemen uitbloeien vallen alle meeldraden (en kelkblaadjes) af en groeien alleen de vruchtbeginsels uit, hangend aan de ‘vleugel’ die straks hun rijpe zaden wegzweeft, zo ver mogelijk ..
In het vroege voorjaar bloeien meest die glanzende witte en gele bloemen die licht (en warmte) reflecteren om insecten te lokken: hier nectar!! Als de dagen langer (en warmer) zijn bloeien meer paarse en blauwe bloemen, kleuren die bijen, hommels en vlinders goed kunnen zien: ze lokken naar ‘diepe’ bloemen, waar alleen langtongige beestjes bij de nectar kunnen (en met slimme constructies om die dan ook stuifmeel te laten vervoeren ..)
Hoe diep moet die hommel gaan voor de nectar, bovenin die harige kelk! Maar kijk, een gat in zo’n (uitgebloeide) kelk: inbraak door een beestje dat niet buitengesloten wilde worden …?!
Ook slangenwortel bloeit nu, met veel blauwe bloemen, wel diep maar niet smal: rechts is de hommel er helemaal ingekropen, naar de ‘voorraadkast’. Maar deze vlinder hoeft er niet in te duiken, met zo’n lange oprolbare tong!
In grassige bermen staat vaak knoopkruid, met hoog op zijn stengels hoofdjes met veel smalle (en diepe) paarse buisbloempjes, en een rand van lange, wijduitstaande lokbloemen (zonder nectar of stuifmeel): kom hier eten!! De hommels weten waar je de nectar wel haalt: in het midden.
De planten: dagkoekoeksbloem, slangenwortel, knoopkruid. Beestjes: aardhommel 3x, vlindertje: gamma-uil, akkerhommel, 2 grote koekoekshommels, steenhommel.