Wie in hitte en droogte zijn bladeren niet ‘tot in de puntjes’ water kon geven verdroogde ze vanaf de randen, maar wat rond de nerven nog groen bleef kon blijven werken (fotosynthese) en meehelpen om nieuw blad te groeien.
Wat in de felle zon verdroogde verbrokkelt en verstoft tot alleen nog het kantwerk van nerven en nerfjes (het bladskelet) over is, terwijl het resterende groen, hoe weinig ook, ‘gezond’ doorwerkt, tot aan straks de echte herfst-bladval.
Met de eerste (mot)regentjes schoten deze paddestoeltjes tevoorschijn maar vroeg rijp vroeg rot? Door de droogte krimpen en scheuren hun hoedjes. Dat kunnen ze niet genezen, maar er wel mee leven: waar hun plaatjes nog droog hangen blijven die hun werk doen: heel veel sporen groeien en loslaten!
Kijk hoe deze inscheurende hoedjes elkaar nog lang afschermen tot ook de stevige hoedhuid afbladdert en regen hun steeltjes in kan lopen … Maar als hun plaatjes klaar zijn zit ook hun taak er op en kunnen ze rustig verder verouderen en vergaan.
Dit ‘nest’ jonge boleten barst al, nog voordat hun hoeden vol zijn uitgespreid, maar onder zo’n dikke stevige hoed hangen hun (sporenvormende) buisjes zeker nog lang genoeg beschermd.
De soorten: langsteelfranjehoedjes, een vezelkop, 3x bleke franjehoedjes, vroeg eekhoorntjesbrood
Terwijl zoveel bloemen al zijn uitgebloeid is klimop net begonnen te bloeien met talloze bloemtrosjes van onopvallende groenige bloempjes, maar gehuld in wolken lokkende geur, waardoor beestjes weten: de ‘winkel’ is open voor verse brandstof/energie: nectar.
Dat is wel zoeken voor beestjes: pas nadat de meeldraden zijn uitgestoven en afgevallen bloeit de stamper en produceert nectar op haar ‘tafeltje’. Daar kunnen zweefvliegen hun energiedrank opzuigen met hun zuigtong.
Ook wespen, die niet meer te eten krijgen in hun kolonie als die klaar is, komen graag hun dagelijkse portie energie van klimopbloempjes zuigen.
Deze bromvlieg is nog te vroeg voor nectar maar pikt zo wel stuifmeel op om te verspreiden, want dat is de brandstofprijs in deze ‘winkel’. Als ze zo rondzoeken: wat een mooie metallic kleuren op hun konten!
Al in maart begonnen de metselbijen hun bijenhotelkamers in te richten voor hun larven: genoeg stuifmeel, eitjes leggen, en dan veilig dichtmetselen. Vanaf eind mei bouwden de kleinere tronkenbijtjes hun nestjes in de smallere gangen, dichtgemetseld met hars en steentjes, tot begin september.
Al die tijd zijn er ook kapers op de kust: sluipwespen die hun larven willen voeden met die verse jonge bijenlarven. Zeldzaam? Helemaal niet, maar wel zo smal en dun, dat ze (ons) niet opvallen. Hoe meer bijenhotels, hoe meer sluipwespen: zoveel voer vlak bij elkaar!
Nu de bijenmoeders er niet meer zijn hebben ze het rijk alleen. Een geschikt nest zoeken, haar lange legboor door het metselwerk persen en daarachter de beste plekken vinden (op de tast ..!) om haar eitjes te leggen. Kijk hoe ze moet wrikken en draaien met die lange (tot 6 cm!), soepele, buigzame én ragdunne legboor, waar ook nog eitjes doorheen moeten!
Na afloop poetst ze zorgvuldig haar legboor, en moet hem weer recht en veilig terug zien te krijgen in zijn schede (= die lange ‘staart’ aan haar achterlijf): klaar voor een volgende inbraak.
Deze sluipwesp heet: Ephialtes manifestator en vliegt van mei tot in november.