Een paar stevige buien spoelden de bospaden uit: regenstroompjes slepen takjes, naalden, blaadjes, steentjes mee, sorteren ze op vorm, grootte, gewicht en leggen ze neer tegen randen en andere obstakel(tje)s.
De lichtste bezinken in (paardenhoef)sporen en de fijnste humus vormt donkere tekeningen in de ondiepste kuiltjes en geultjes.
Bij zulke zwevende webjes in een haag hoort meestal een spinrag-tunneltje waarin een spin zich schuil houdt: wachtend op prooi die verstrikt moet raken in haar spindraden, die ze uitnodigend als een terras/balkon voor haar huis heeft uitgespannen.
Met nog wat dauwdruppeltjes is haar vangnet goed te zien, en hoe ze vanuit die donkere trechter met haar poten zorgvuldig elke beweging op het vangweb voelt: en dan ‘vliegens’vlug de vangst haar hol in trekken!
Bovenop een haag: als elk kuiltje zo’n trechterhol is, hebben 2 buren dan samen zo’n groot vangplateau geweven? En delen ze dan de vangst, of zijn er echt grenzen?
Trechterwebjes kunnen ook heel goed in spleten van muren en schuren, en hoeken van huizen: stevig beschermd, muurvast!
Veel soorten spinnen maken trechterwebben, oa. onze huispin
Veel warmte en geen regen, maar hier toch weinig sporen van verdroging: ze hangen hun bladeren goed slap uit de zon, en zijn al klaar met bloeien en zaden. Nog ruim de tijd om zich winterklaar te maken: wortelstokken vullen.
Droog ogen vooral gazons en bermen: waar het groen van het gras is gemaaid ligt de onderlaag er lang dor en droog bij, tot het gras weer uitloopt. Maar anderen herstellen zich sneller en pakken meteen hun bloei weer op: laag-bij-de-grond ipv. op heuphoogte.
Hoe kunnen ze dat in de (hitte en) droogte: gaan hun wortels zo diep of zakt het water niet zo ver in polderland: heel Amsterdam op min 2 meter NAP, bij (te) weinig regen houd je je polderpeil gelijk door minder te bemalen. Staat daarom deze niet-gemaaide berm er zo sappig groen en bloeiend bij?! Loont het om regenwater langer vast te houden ipv. weg via het riool? Slaat de droogte dus vooral toe in (zand)land en dijken boven NAP?
Ook in polderland verdroogt er blad: aan jonge of slecht gewortelde struiken. En deze hazelaar heeft zijn groen nog wel nodig om zijn hazelnoten te rijpen..
Wilde peen is massaal opgeschoten op dijken en zandige bermen. Hoe doorstaan die hoge tengere planten de hitte en droogte: vangt hun lage, diep ingesneden, peterselie-achtige blad weinig zon, en wortelt hun peen/penwortel diep genoeg, naar het grondwater? (Wilde peen heeft geen oranje ‘worteltjes’, maar witte peentjes)
Hun bloeischermen waaraan ‘duizend bloempjes bloeien’ lokken veel beestjes: de grasbij verzamelt er (veel) stuifmeel voor haar larven, en deze zweefvlieg zuigt nectar met zijn zuigsnuit terwijl die lange witte meeldraden stuifmeel op zijn lijf proberen te plakken.
Terwijl de laatste bloempjes nog bloeien krullen de schermen alweer dicht, zodat alle babyvruchtjes binnenin beschermd kunnen uitgroeien en rijpen. Dan buigen die bollen weer open om de borstelige zaden aan te laten haken aan vacht of veren, naar een liefst verre groeiplek.
Binnen die stekelige bol zoekt een spinnetje prooi, of een nestplek? Een ander heeft zo’n ruimte al dichtgesponnen rond haar ei-pakket. Past deze hooiwagen er met die lange poten gewoon niet in, of ligt ze op wacht, of zoekt ze alleen een veilig zonplekje?
Riet en andere planten zijn nu hoog en dicht opgeschoten, maar daarlangs kan haagwinde zich soepel omhoog slingeren: uit hun schaduw naar het licht.
Als je aan de top zit moet je een sprong durven wagen, naar nieuw houvast … Of je draait door, om jezelf heen, tot een stevig doorgroeiende kabel, tot alles is overwoekerd met een groene deken van winde-bladeren.
En dan is het tijd om te bloeien: die grote wit-stralende ‘pispotjes’ die wel diep zijn, maar waar ook kleine beestjes onderin bij de nectar kunnen.