

Een paar stevige buien spoelden de bospaden uit:
regenstroompjes slepen takjes, naalden, blaadjes, steentjes mee,
sorteren ze op vorm, grootte, gewicht
en leggen ze neer tegen randen en andere obstakel(tje)s.





De lichtste bezinken in (paardenhoef)sporen en de fijnste humus
vormt donkere tekeningen in de ondiepste kuiltjes en geultjes.

